Van hunebed tot kerkhof

Pericles, een Griekse staatsman en wijsgeer die ruim 400 jaar voor Christus leefde in Athene heeft eens gezegd: “De mate van beschaving van een volk valt af te lezen aan de wijze waarop men zijn doden bezorgt.”  Het “bezorgen van doden”, zoals begraven en alles wat daarmee samenhangt wel genoemd wordt, heeft een geschiedenis die zo oud is als de mensheid. De tijd en de cultuur zijn daarbij bepalend geweest voor de wijze waarop dat “bezorgen” plaatsvond.  In ons land stammen de eerste gegevens over de omgang met overledenen uit het jaar 3500 v. Chr. We kennen onze hunebedden, grote stenen uit de voorlaatste ijstijd, die ons voor raadsels zetten over de vraag wat de betekenis nog meer was dan die van graf alleen. Hunebedden werden gebouwd door het Trechterbekervolk, zo genoemd naar hun aardewerk. Zij brachten de doden van hun familie of clan in de ruimte die door de stenen werd gevormd en zette hen bij in liggende, maar ook in gehurkte of zittende houdingen. Daaromheen werden sieraden, wapens en bekers met voedsel geplaatst. De hunebedden werden ook gezien als een woning voor de doden, van waaruit de dode opnieuw geboren werd in zijn nakomelingschap.

Later, in het midden van de Bronstijd, 1800-1100 v. Chr. werden de doden gecremeerd op een brandstapel. De verbrande resten werden in een grafkuil of een boomkist geplaatst. Vanaf 1100 v. Chr. zien we het gebruik van urnen opkomen en daarmee het ontstaan van urnenvelden. Weer veel later, met de intrede van het christendom, werd door Karel de Grote het verbranden van doden verboden, wat nog nader werd bepaald door het concilie van Paderbron in het jaar 785. Mocht iemand het dan nog in zijn hoofd halen om een overledene te cremeren, dan kostte hem dat zelf letterlijk “ het verlies van zijn hoofd”.

Dit concilie beval, dat ”lijken van christelijke Saksen” naar de begraafplaatsen van de kerk zouden worden overgebracht. Aanvankelijk begroeven de mensen hun doden nog buiten de nederzettingen, maar langzaam aan werd het belangrijk gevonden om in gewijde grond begraven te worden.

Door de verbreiding van het christelijk geloof ontstonden zo kerkhoven rondom de kerkgebouwen. Edelen, welgestelde burgers en geestelijken werden zelfs in de kerk begraven of in grafkelders bijgezet. Er was aanzien of veel geld nodig om daar toestemming voor te krijgen. Men vond dat echter erg belangrijk, want in de kerk was namelijk vaak een reliek van een heilige aanwezig, die voor het zielenheil van de overledene kon bemiddelen. Vanaf de Middeleeuwen vonden begravingen plaats met het gezicht naar het oosten gericht. Centraal stond het geloof in de wederkomst van Christus. Daarom moest het aangezicht naar het oosten gewend zijn, vanwaar de komst van de ”Zonne der Gerechtigheid” werd verwacht.

Om begraven te kunnen worden in of rondom de kerk moest dus flink worden betaald. Niet alleen om de kosten van de begraafplaats te dekken, maar vooral om inkomsten voor de kerk te genereren. In de 18eeeuw waren de inkomsten uit het begraven zelfs opgelopen tot 70% van de totale kerkelijke inkomsten. Dat is tegenwoordig wel anders, maar daarover elders in deze site. Ondanks dat werd er massaal begraven bij de kerk, wat tot aanzienlijke problemen leidde in verband met de beschikbare ruimte.

 Ontstaan van wetten en regels

De situatie in en rondom de kerken werden door deze begrafeniscultuur op den duur zo onhoudbaar en onhygiënisch dat in Nederland bij Koninklijk besluit werd bepaald, dat vanaf 1829 niet meer in en rondom kerken en zelfs binnen de bebouwde kom begraven mocht worden. Elke gemeente met meer dan 1000 inwoners werd verplicht een begraafplaats buiten de bebouwde kom aan te leggen. Deze inmiddels oude begraafplaatsen vind men nu overal als gevolg van stads- en dorpsuitbreidingen terug midden in de bebouwde kommen. Hoewel de begrippen kerkhof en begraafplaats tegenwoordig vaak door elkaar gebruikt worden is het eigenlijk wel zo, dat de term ”kerkhof” alleen van toepassing is voor een rondom de kerken gelegen hof. Deze plaats werd gezien als gewijde aarde. Voor het begraven van niet-christenen, criminelen en ongedoopten werd ten noorden van de kerk, waar minder zon komt, uitbreidingen aangelegd, gescheiden van het gewijde kerkhof door een heg. Daar sprak men dan van ”de begraafplaats”.

In Hoog-Keppel maken we onderscheid tussen de ”oude begraafplaats”, feitelijk dus het ”Kerkhof” en de ”nieuwe begraafplaats”, gelegen aan de noordzijde van de kerk. Deze is in de jaren ’70 niet aangelegd om de redenen die net genoemd zijn, maar gewoon omdat er behoefte was aan meer ruimte en er alleen in noordelijke richting uitgebreid kon worden. In die zin zou men in Hoog-Keppel overigens wel kunnen spreken van het Kerkhof, het oude deel rondom de kerk en van de Begraafplaats, het nieuwe deel achter het Kerkhuis. Gelukkig hoeven we geen onderscheid meer te maken vanwege de status van de overledene. Als er nog onderscheid is heeft dat te maken met de intentie om het Kerkhof (oud) te bestemmen voor de autochtone bewoners van Keppel en omgeving en de Begraafplaats (nieuw) meer voor degenen die niet van origine afkomstig zijn uit deze omgeving.

Tot begin 19e eeuw bestond er geen verplichting een registratie bij te houden van de begraven overledenen. Pas in 1830 kregen gemeentebesturen de verplichting opgelegd om zorg te dragen voor de binnen hun grenzen gelegen kerkhoven en begraafplaatsen. Dus ook de kerkelijke begraafplaatsen dienden als burgerlijke inrichtingen beschouwd te worden. Sindsdien werden in verschillende provincies verordeningen opgesteld, totdat in 1896 een eerste Begrafeniswet tot stand kwam. Die bepaalde hoe gemeentes met hun beleid voor het inrichten en beheren van begraafplaatsen om moesten gaan. Vanaf die datum hebben allerlei maatschappelijke ontwikkelingen en wetswijzigingen uiteindelijk geleid tot de Wet op de Lijkbezorging van 1991.

Kerkhoven in Voor-Drempt en Hoog-Keppel 

Van geschreven geschiedenis is tot de achtste eeuw in onze contreien nog nauwelijks sprake, die begint in de tijd van de kerstening. Toch weten we wel wat over die periode. Voordat nederzettingen in onze omgeving ontstonden, die geleidelijk uitgroeiden tot de dorpen die we nu kennen, werd deze streek al tijdelijk bewoond door jagers uit de jongste steentijd. Uit de voorchristelijke tijd zijn overblijfselen van grafvelden van hen aangetroffen.

De eerste schriftelijke vermeldingen dateren van de 11e eeuw. Over Drempt kennen we een vermelding die dateert uit 1122. De nederzetting Keppel wordt voor het eerst in rond 1150 genoemd.Het vermoeden is, dat de kerk in Drempt in de 9e eeuw is gesticht door keizer Karel de Grote. Vanuit zijn residentie in Nijmegen regelde hij dat de bevolking in deze streek tot het christendom bekeerd werd. Daarmee bracht hij ook verandering in de begrafeniscultuur. Dat er toen ook al rondom de eerste kerkgebouwen werd begraven blijkt uit de sarcofaagdeksel die in de omgeving van de kerk is gevonden. De zerk stamt uit de 9e eeuw en ligt nu naast de toren van de kerk in Voor-Drempt. In en rond de kerk in Hoog-Keppel, die al vanaf de stichting de naam ”Petrus en Pauluskerk” draagt, zijn nog geen opgravingen geweest, zodat geen exacte datering te geven is over het stichtingsjaar. Op deze plek ontstond echter de oorspronkelijke nederzetting Keppel met burcht, tijnshof en kerk. Het is dus waarschijnlijk, dat de stichting van de kerk terug zou kunnen gaan tot de elfde, misschien tiende eeuw. De Heren van Keppel hebben al vroeg hun medewerking aan de instandhouding van deze kerk met bijbehorend kerkhof gegeven, zodat zeker is, dat ook al sinds ± het jaar 1000 begraven wordt op het kerkhof in Hoog-Keppel. Inmiddels al zo’n 1000 jaar dus !! De oudste geregistreerde graven op onze kerkhoven dateren van mensen die eind 18e eeuw geboren zijn. In het register van Drempt vinden we de naam van mw. D.J. Heuven, geboren in 1788 en overleden en begraven in 1858 (rij 12, plaats 16). In Hoog-Keppel is dat Cornelis Wilhelmus Vrijland, geboren in 1775 en overleden en begraven in 1871. 



De eerste begrafenis die geregistreerd staat in Drempt is die van G.H. Van Oosten–van Staveren in 1836. In Hoog-Keppel is dat van H.A. Hardt Aberson, een jongentje geboren in 1812 en overleden en begraven in 1817 (rij 49:09). Met deze namen en data begint de geregistreerde geschiedenis van onze begraafplaatsen. 

Grafkelders bij de kerk in Hoog-Keppel

De kerk is als een zgn. pseudo-basiliek, gebouwd in 1392, gebouwd op een uitloper vande stuifduinen langs de Oude IJssel. In vroeger tijd was de kerk veel groter en bezat twee toen zijbeuken. Op de tekening van Jan de Beijer uit 1743 zijn deze duidelijk aanwezig. Vermoedelijk zijn ze aan het eind van de 18e eeuw afgebroken. Onder de zuidelijke zijbeuk bevond zich de grafkelder van de nauw aan de geschiedenis van deze kerk verbonden familie Van Pallandt, bewoners van het kasteel te Laag-Keppel. Onder de noordelijke zijbeuk lag de grafkelder van de Ulenpas. Beide grafkelders zijn nu naast de kerk op het kerkhof nog aanwezig. Door de afbraak is het dak van de zuidelijke grafkelder aan de oppervlakte komen te liggen, zodat die vanuit de consistorie betreden kan worden. De in de kelders bijgezette leden uit beide families vervulden de functie van opperkerkmeester. In 1985 is de grafkelder van de Van Pallandts gerestaureerd.