Wer nun den lieben Gott - Johan L. Krebs (1713-1780).mp3



Wie in de buurt van Hoog-Keppel verblijft kan al van veraf de markant torenspits zien van de Petrus en Pauluskerk. De kerk ligt aan de wijd ingerichte Burg. Van Panhuysbrink, is omgeven door een eeuwenoude begraafplaats en vormt daarmee het hart van het dorp. De kerk is gebouwd op het hoogste punt in de wijde omgeving en is eertijds gewijd aan de heiligen Petrus en Paulus. Het is een 15e eeuwse laatgotische pseudo-basiliek, oorspronkelijk met zijbeuken. De romaanse toren stamt uit de 12e eeuw en heeft twee geledingen met een ingesnoerde spits. Het benedendeel is van tufsteen en heeft een romaanse ingang tot alleen de toren. Door allerlei overige verbouwingen en aanpassingen oogt de kerk uitwendig wat ”verminkt”, maar dat dwingt daardoor ook weer respect af voor de ingrijpende gebeurtenissen die de kerk heeft ondergaan. Toren en kerk hebben de status van Rijksmonument.

 

 

Geschiedenis

De plek waar nu de kerk staat, gebouwd op het eind van de rij stuifduinen vanaf Anholt tot Hoog-Keppel evenwijdig aan de Oude IJssel, is vermoedelijk de oorspronkelijke nederzetting Keppel met de burcht, een tijnshof en een kapel. De oudste vermelding van de kerk, is een akte van 9 augustus 1310. Daar staat, dat Wolter van Keppel een nieuw altaar schonk, dat in de kapel van Keppel werd opgericht ter ere van Maria.  Dat betekent, dat de stichting van de kerk terug zou kunnen gaan tot de elfde, misschien tiende eeuw. In 1392 kreeg de parochie van Olden Keppel van bisschop Floris uit Utrecht toestemming om de kapel te vervangen door een echte kerk, mits die gewijd zou worden aan de heiligen Petrus en Paulus. Dat gebeurde al spoedig daarna en aldus werd het huidige kerkgebouw opgericht. Met de tufsteen die vrijkwam met de sloop van de kapel werd de toren gebouwd in de Romaanse stijl (12e eeuw rondboog) en met nieuwe bakstenen werd de kerk in de vorm van een driebeukige ”pseudo-basiliek” opgetrokken in Gotische stijl (15e eeuw spitsboog). ”Pseudo-” vanwege de wijze waarop de ramen werden ingebouwd. 


Hoe de onttakeling van het kerkgebouw nadien is verlopen is niet nauwkeurig na te gaan. Het is bekend, dat men rond 1740 de noordbeuk en later die eeuw de zuidbeuk van de kerk sloopte. Uit een tekening door Jan de Beijer in de verzameling Van Haersma de With, die gedateerd is 4 september 1743 blijkt dat toen de zuiderzijbeuk van het schip inderdaad was verdwenen, terwijl het koor aan de zuidzijde nog over drie vakken was ingebouwd gebleven. Door de sloop van de beuken zijn de grafkelders van de van Pallandts en de van Schuylenburchs buiten de kerk komen te liggen. Later is achter de preekstoel nog een muur gebouwd om koor en schip van de kerk te scheiden. Het is nu een eenbeukige kerk met driezijdig gesloten koor. Over de veranderingen in het interieur van de kerk is van de 16e tot de 19e eeuw weinig opgetekend. De kanseltrap schijnt meerdere malen verplaatst.

 

Kerk uitwendig

De noord- en zuidmuur van het tegenwoordig eenbeukige schip vertonen de dichtgemetselde pijlerarcaden die eertijds de lage zijbeuken verbonden met het middenschip. In de vulmuren van de wijde bogen bevinden zich vensters met gietijzeren harnassen. Aan de buitenzijde vertonen de vierkante pijlers nog de geprofileerde kraagstenen waarop de gewelven van de zijbeuken ontsprongen. Aan de noord-westzijde is te zien dat de ribben van deze gewelven van baksteen waren gemetseld. Het koor vertoont aan noord- en zuidzijde dichtgemetselde bogen die eertijds uitkwamen in de rechtgesloten zijruimten die het hoofdkoor begeleidden over de beide rechthoekige vakken en langs het rechte gedeelte van het sluitingsvak. In het baksteenwerk van de zuidzijde zit het gemeenschappelijke steunpunt verborgen van de eerste en de tweede boog in de vorm van een zandstenen zuil. De koorsluiting is voorzien van vier steunheren. De vorm van de steunberen bij welke de eindgevels van de zijruimten van de koorpartij hebben aangesloten wijst erop dat deze zijruimten tegelijk met het hoofdkoor zijn opgetrokken. Het uiterste vak tegen de noordzijde van het koor is ongetwijfeld de sacristie geweest naar men o.a. kan opmaken uit een dichtgemetselde deur die de verbinding met het priesterkoor moet hebben gevormd.


Kerk inwendig

Het gepleisterde interieur met zijn stucplafond (vermoedelijk aangebracht in 1815) vormt een zaalkerk van de toren tot de wand die de koorsluiting afscheidt. Van de verdwenen triomfboog en zijbogen, die uitwendig wel sporen hebben nagelaten, is inwendig niets meer te bespeuren. Ook is er niets te zien dat aan de uitgebroken gewelven herinnert. De eikenhouten preekstoel is achtkantig, met toogpanelen en Jonische hoekpilasters, naar de stijl te oordelen 2e helft 17e eeuw. Aan de preekstoel bevestigd zijn een koperen zandloperhouder en een koperen lezenaar met wapen en naam van C (arel) W (illem) vrijheer van Pallandt, sinds 171 1 bannerheer'. van Voorst en Keppel, t 1729. Er is, zorgvuldig in de kluis bewaard, een oude  avondmaalsbeker van 37,5 cm hoogte, voorzien van gegraveerde alliantiewapens en het opschrift : De Heer en Vrouw van Uilenpas hebben deesen Beker gegeven aan de kerk van Olden Keppel in den jaere 1773. Merken: Zutfen; meesterteken A V S.

In de kerk treft men twee 16e Eeuwse grafzerken aan. Er ligt een grafsteen van Terus Buetinck met een latijnse tekst, vertaald: "Bid voor de ziel van Terus Buetinck - hij ruste in vrede". De andere grafsteen laat twee benen zien met hoofd onder een voet en een latijnse tekst uit Samuel 14: 14. Vertaald: "Want wij moeten zeker sterven en worden als water, op de aarde uitgegoten, dat niet verzameld wordt". In de rand: "nd FROEME ARNOLDUS BART VAN Issepas tho Oldekeppel in". (Issepas = UIenpas) . Deze grafzerk is in tweeën gehakt; het bovenste deel dient  tot drempel aan de zuidzijde van de kerk. Dit stond te lezen in de Wapenheraut 1917. Meded. Mr. P.C. Bloys van Treslong met stempel van de Monumentencommissie van Gelderland.

Orgel

Te oordelen naar het alliantiewapen Van Pallandt-Van Lintelo is het orgel in de kerk een geschenk uit 1740 van Baron van Pallandt van Keppel, destijds de overkerkmeester van de hervormde kerk te Hoog-Keppel. Het orgel is gebouwd door ”Matijs van Deventer Orgelmaeker tot Nimegen” voor de prijs van ”vijffhondert en vijfftigh gulden hollants”. Het is duidelijk, o.a. uit de gietijzeren krulvleugels aan weerszijden, dat dit orgel nadien nogal wat veranderingen heeft ondergaan. In het nu ruim 2½ eeuwen oude orgel hebben minstens 10 orgelbouwmedewerkers hun naam en jaartal achter gelaten aan de binnenzijde van de orgelkas. Ene Johann Hageman deed dat in 1791 met krijt en later krastte een kennelijk ogeluchte Duitser erin: ”Nolting geht nun nach Hausz!” De orgelbouwer K.B. Blank restaureerde het orgel in 1977. Daarbij werden de Trompet en de Quint vernieuwd. Het instrument heeft een enkel manuaal (C-c3) en is zonder pedaal. De dispositie is als volgt: Holpijp 8, Prestant 8 D, Prestant 4, Fluyt 4, Octaaf 2, Quint 1 ½, Mixtuur 3 st., Cornet 4 st. Discant en Trompet 8 bas.